Tevredenheid voercentrum varieert

‘De directie was te veel bezig met opzet volgende voercentra’

Na de succesvolle start in seizoen 2010/2011 groeide het aantal deelnemers aan het voercentrum in Leeuwarden van 6 naar 28. Uit een enquête van Melkvee Magazine blijkt dat de deelnemers lang niet allemaal even tevreden zijn. Hoewel velen reppen van een gestegen productie, schrikken ze toch van de kosten. Ook leeft het idee dat het voercentrum de snelle groei niet goed kon bolwerken.

Wilt u meer lezen? Neem een abonnement.
 

Reageer op dit artikel

Reactie(s) bekijken »
*
*
Uw e-mailadres wordt niet op de website afgebeeld.
*
Beveiligings-code
Wanneer u de CAPTCHA beveiligings-code niet kunt lezen, klik dan op de afbeelding om een nieuwe willekeurige code te produceren.

Code *
    * Verplicht invullen
   
    Wilt u een reactie plaatsen op deze website? Lees dan eerst de regels door.
Tekst: Anne Hiemstra • Beeld: Ellen Meinen

Enquête deelnemers voercentrum

Melkvee Magazine stuurde een vragenlijst naar alle deelnemers van het voercentrum in Leeuwarden. Tien veehouders beantwoordden de dertien vragen van de enquête. Hieronder de geanonimiseerde reacties van de tien veehouders.

 



 
 
Download Adobe® Reader® Gratis
Om PDF documenten te kunnen bekijken heeft u Adobe® Reader® nodig. U kunt hier gratis de meest recente versie downloaden.




Bij de extreme winterse omstandigheden van de afgelopen maand kwam het voercentrum goed van pas. „Met die vorst en harde wind is het heel erg lekker dat het voer voor de koeien wordt gereden”, verklaart Gjalt Lindeboom uit Mantgum althans. Lindeboom sloot zich vorig jaar aan bij het voercentrum om minder werk te hebben. Verder dacht hij zijn voerkosten er mee te kunnen verlagen en de productie en gezondheid van de veestapel te kunnen verbeteren. Inmiddels is zijn ervaring dat de voerkosten hoger zijn dan verwacht.


Crisis

Lindeboom melkt 90 koeien en heeft een quotum van zo’n zeven ton melk. „Maar we melken meer.” De veehouder realiseert een rantsoenefficiëntie van 1,42 – de rantsoenefficiëntie is het aantal kilo’s melk dat uit een kilo droge stof aan voer kan worden gehaald – en een gemiddelde productie van 30 kilo melk per koe. De koeien op het bedrijf worden bovendien vlot drachtig. „Bij dit systeem is het belangrijk dat je je koeien op tijd droog zet. Een koe van 15 kilo melk per dag moet je niet doormelken. Daar is het voer namelijk te duur voor. Hetzelfde geldt voor guste koeien. Koeien die hun geld niet meer opbrengen, moet je niet houden. Een oplopende tussenkalftijd kost veel geld. Dat wordt met dit systeem erg duidelijk.”
Lindeboom laat zowel zijn melkgevende als zijn droge koeien voeren door het voercentrum. Het hoogwaardige rantsoen voor de melkgevende dieren wordt dagelijks gebracht en het goedkopere en armere droogstandsrantsoen twee keer per week. Op de vraag of hij in de toekomst mogelijk zelf zijn gras weer gaat inkuilen, reageert de veehouder ontkennend: „Geen denken aan, anders krijg ik crisis in het gezin. Niemand heeft aardigheid aan het afdichten van de kuil. Bovendien heb ik nu meer tijd voor mijn gezin.”


Alles inzichtelijk

Ook Sjoerd Roelevink uit Damwoude is positief gestemd over het voercentrum. „Vlot inkuilen en gemengd voeren kost me – voor mijn zestig koeien – veel tijd en geld”, geeft hij als aanleiding voor zijn deelname. „In combinatie met de melkrobot kan ik op deze manier veel melk per gewerkt staluur halen. Daarnaast is er minder rommel op het erf en hoef ik niet te investeren in nieuwe ruwvoeropslag.” Roelevink geeft aan dat de kosten hoger uitkomen dan het voercentrum voorrekende, maar dat ze sinds de rantsoenefficiëntie naar de huidige 1,4 is gestegen, wel aan zijn eigen verwachting voldoen. „Ik had uit voorzorg al ruwvoer voor het jongvee en de droge koeien thuisgehouden. Bovendien heb ik maar weinig droge koeien. En ik heb er geen goed gevoel bij als ik daarvoor nou speciaal het voercentrum zou moeten laten komen.”
Roelevink realiseert een melkproductie die varieert van 29 tot 32 kilo per koe per dag. „Werken met het voercentrum maakt alles inzichtelijk. Je krijgt elke week een rekening en de variabele kosten gaan dus enorm omhoog.”
De vergoeding voor het gras dat de veehouders in de zomer leveren, wordt in de winter op de voerrekening in mindering gebracht. Het voercentrum betaalde voor het gras gemiddeld 9 cent per kilo drogestof en afhankelijk van de kwaliteit meer of minder. „Ik denk dat deze prijs te laag is om boeren met een grasoverschot te stimuleren al hun gras naar het voercentrum te brengen. Om ook boeren met een grastekort van voer te kunnen voorzien, is het wel belangrijk dat het voercentrum genoeg gras krijgt. Bovendien denk ik dat deze uitbetalingsprijs boeren niet stimuleert om aan graslandverbetering te doen.”


Arbeidsverlichting

„We hebben zelf jaarlijks te weinig voer. Bovendien hebben we de laatste jaren op de klei veel last gehad van kalivergiftiging”, geeft Piet Osinga uit Marrum als reden voor zijn deelname. „Het rantsoen wordt gemengd met armer voer en dat pakt voor ons goed uit.” Dat de voerkosten tegenvallen, ligt volgens Osinga eenvoudigweg aan het feit dat de voerprijzen hoger zijn dan eerdere jaren. „Door het extreme jaar zijn er bovendien te weinig kilo’s droge stof geleverd aan het voercentrum.”
Osinga vindt dat het inkuilmoment flexibeler moet. Er is volgens hem te nat ingekuild en niet goed geluisterd naar boeren en loonbedrijven. „Het voercentrum is te snel gegroeid en de directie was te veel bezig met de opzet van volgende voercentra.” Ondanks dat de communicatie het afgelopen jaar beter had gekund, is de veehouder positief gestemd. „Omdat er relatief veel vaarzen zijn, hebben we met 27 liter nog te weinig melk onder de koeien (rantsoenefficiëntie is 1,3, red.). Maar de productie is wel degelijk fors gestegen en we hebben een stijgende lijn te pakken. Ook de gehalten zijn goed.” Osinga zegt geen reden te hebben om bij het voercentrum weg te gaan. „Je moet het ook een kans geven. En het geeft een enorm stuk arbeidsverlichting.”


Sterke productiestijging

„Het eerste inkuilmoment vorig jaar was een leermoment”, zegt ook Meindert Reitsma uit Birdaard. „Er waren te weinig shovels en alles liep vast bij het lossen van de vrachtwagens. Verder is er te veel naar het personeelsrooster gekeken en te weinig naar het weerbericht.” Toch is de veehouder tevreden over het voercentrum. „Dat wij deelnemen, komt door de ontbinding van een melkmaatschap. We hebben 300.000 kilo melk overgenomen, maar geen land. Ook zijn we de arbeid van de melkmaat kwijt.” Reitsma heeft nu 1,5 miljoen kilo quotum op 75 hectare land.
Het voercentrum sluit goed aan op Reitsma’s specifieke situatie. „Een voordeel van het voercentrum is dat je het hele jaar voorzien wordt van een goed rantsoen, je hoeft niets apart aan te kopen. Als je zelf voer op je erf opslaat, krijg je bovendien te maken met de opvang van perssappen en erfafspoelwater.”
De productie is sinds de deelname met zo’n 4 à 5 kilo melk per koe per dag gestegen en ook het eiwitpercentage ging met 0,15 procent omhoog. De gemiddelde melkproductie bedraagt nu 30,5 kilo melk bij een rantsoenefficiëntie van 1,37. „Door de productieverhoging hebben we minder koeien nodig om het quotum vol te melken en hoeven we minder mest af te voeren”, stelt de veehouder. „Als je voor het eerst meedoet, schrik je behoorlijk van de rekeningen. Maar als je alles op een rij zet en alles meerekent, zie je dat je niet eens zo slecht uitkomt.”


Organisatietalent

Ook bij de specifieke situatie op het bedrijf van de maatschap Zeinstra in Noordbergum paste het voercentrum goed. „Mijn broer Dick moest met zijn bedrijf wijken voor de Centrale As (een nieuwe autoweg, red.)”, aldus Frans Zeinstra. De twee broers besloten om samen in een maatschap, met zoon Jan en beide echtgenotes, verder te gaan op één locatie. Op het erf van vader Frans en zoon Jan Zeinstra verrees daarom een nieuwe stal voor 260 koeien, al lopen er nu 180. De oude sleufsilo’s zijn gesloopt om plaats te maken voor de nieuwe stal. „We hadden dus ook geen ruimte voor voeropslag en daarom kwam het voercentrum uitstekend van pas. We hebben al een vergunning voor zes nieuwe sleufsilo’s, maar dan moet je eerst wel een paar ton investeren.”
Voorlopig blijven de Zeinstra’s dan ook bij het voercentrum. „Zolang de productie nog niet op niveau is, is het duur. Maar het bevalt ons goed. De koeien hebben nog nooit zo goed geproduceerd. Maar de nieuwe stal met onder andere een rubbervloer, diepstrooiselboxen en voor elke koe een vreetplaats, is daarop uiteraard ook van invloed.” De rantsoenefficiëntie ligt op 1,25 en de productie op 28,5 kilo melk per koe per dag. „De koeien zijn 3 à 4 liter gestegen en de productie stijgt nog steeds. Ook het eiwitpercentage is 0,2 procent hoger”, aldus de veehouder. „Een belangrijk punt bij het inkuilen, is dat je moet kunnen organiseren en het uit handen moet durven geven. Je moet zorgen dat het gras op de inkuildag in Leeuwarden arriveert. Daarbij moet je zelf de loonwerker en het transport organiseren.”


Hongerige koeien

Een soortgelijke situatie als bij Reitsma en Zeinstra geldt ook voor Auke Talsma. Hij verhuisde zijn bedrijf van Wirdum naar Brantgum. „We zijn verhuisd naar een locatie waar nog niets was. En puur vanwege het gemak hebben we ons aangesloten bij het voercentrum. Zo hoefden we niet met voer te slepen.” Talsma is één van de zes deelnemers van het eerste uur. „De communicatie vanuit het voercentrum liet te wensen over vanaf het moment dat de groep bijna vijf keer zo groot werd. De problemen hieromtrent kwamen vooral tot uiting bij de bezorging van het voer. Vooral de bedrijven die later op de dag gevoerd worden, krijgen regelmatig met ernstige vertraging te maken. In de nazomer waren er geen calamiteitenbalen (ronde of vierkante balen met daarin het TMR-rantsoen van het voercentrum voor noodgevallen, red.) beschikbaar en dat heeft bij ons meermalen tot hongerige koeien geleid.”
Talsma geeft aan nou eenmaal het laatste adres op de route te zijn en accepteert de vertragingen. „Zolang ze maar laten weten hoe laat ze ongeveer komen.” Volgens de veehouder groeien zowel de deelnemende veehouders, als ook de mensen achter het voercentrum in kennis. „Ik word steeds positiever.”
Talsma melkt een kleine honderd koeien met twee robots en zegt weer terug te willen naar de oude situatie met 130 koeien. De rantsoenefficiëntie bedraagt 1,3 en de productie per koe 30 à 31 liter. „De kosten van het voer zijn hoger dan verwacht, maar dat komt grotendeels door de marktsituatie. Als je alles meeneemt in de berekening, zijn de kosten wel te verdedigen.” De veehouder heeft door het uitbesteden van het voeren meer tijd voor zijn koeien en kan dan ook wat betreft zijn management de puntjes op de i zetten. „We hebben nog niet geïnvesteerd in kuilopslag en kunnen het één en ander aan kosten besparen door dit gedeelte van de bedrijfsactiviteiten uit te besteden. Wel gaan we een gedeelte zelf inkuilen voor het jongvee en de droge koeien.”


Past niet bij mij

Iemand die zijn gras het komende voorjaar niet opnieuw naar Leeuwarden zal brengen is Minne-Pieter Stapensea uit Marssum. „Een productie van dertig liter per koe past niet bij mij”, zo stelt hij nu. Stapensea stapte vorig jaar in omwille van de arbeidsverlichting. „De kuil afdekken is niet onze grootste hobby en daardoor heb je ook kwaliteitsverliezen. Daarnaast verwachtten we betere resultaten door het TMR-rantsoen.” De koeien blijken het prima te doen, al moeten ze volgens de veehouder nog altijd erg wennen aan de nieuwe situatie. De rantsoenefficiëntie bedraagt 1,38 en de gemiddelde melkproductie per koe is 27 liter per dag. „Ze gaven eerst 23 liter, dus ze zijn al flink gestegen. Maar de dertig liter halen we niet en we moeten wel net zoveel betalen. De kosten zijn dan ook flink hoger dan verwacht.”
De veehouder noemt het voercentrum een prachtig concept en vindt dat het zeker moet doorgroeien. „Maar het is te luxe voor ons. Het geeft weliswaar veel arbeidsverlichting, maar je moet wel scherp boeren. Je krijgt heel veel cijfers en dat past niet zo bij mij. Ik kan beter weiden met een beetje kuil voor het voerhek. Een goed management is binnen dit concept heel belangrijk. En ik ben nou eenmaal niet het type boer dat overal bovenop zit. Ik ben wat makkelijker ingesteld, ook wat betreft de tussenkalftijd.”


Te weinig structuur

Een andere veehouder die het komende voorjaar het gras weer op zijn eigen erf gaat inkuilen, wenst anoniem te blijven. „De kosten vallen enorm tegen. Het voercentrum rekende ons voor dat wij ongeveer tien- tot vijftienduizend euro ten opzichte van het traditionele voeren over zouden houden, maar zelf gingen we van nul uit. Nu blijkt dat er tussen de tien- en twintigduizend achteraan moet.” De veehouder zit meer dan dertig kilometer van het voercentrum af, wat de kosten hoger maakt. „We moesten zevenduizend euro betalen voor het hakselen en zevenduizend voor het transport naar Leeuwarden. Normaal kuilen we zelf en dat kost ons naar schatting zo’n twee- tot drieduizend euro.”
De veehouder sloot zich bij het voercentrum aan vanwege het arbeidsgemak. „Ik kon de twintig uur hulp in de week ermee besparen. Daarnaast hebben we een intensief bedrijf en moeten we anders ook voer aankopen. Bovendien hebben we te weinig opslagruimte voor bijproducten.” Hoewel de rantsoenefficiëntie 1,3 bedraagt en de gemiddelde melkproductie per koe op 30 liter ligt, is de veehouder ook over de resultaten niet geheel tevreden. „We voerden afgelopen zomer vers gras, aangevuld met tien kilo TMR. De koeien gingen echter in conditie achteruit en kregen waarschijnlijk te weinig structuur. Het is nu beter, maar we voeren wel extra gehakseld koolzaadstro bij. Verder is de voorspelde stijging van het vet- en eiwitgehalte in de melk uitgebleven.”


Waarschuwen

De kosten van het TMR-rantsoen bedroegen vorig jaar 16,5 cent per kilo droge stof en dit jaar 20,5 cent. „De hogere voerprijzen kunnen dit verschil in mijn optiek niet verklaren. De opslagkosten waren vorig jaar 3 cent en nu 3,5 cent (kosten die veehouders aan het voercentrum betalen om hun ruwvoer in Leeuwarden te ‘mogen’ opslaan, red.). Als je van honderd koeien uitgaat, die gemiddeld 20 kilo droge stof per dag vreten. Dan betaal je tachtig euro per dag meer ten opzichte van vorig jaar. Dat is bijna 30.000 euro per jaar.” De veehouder wijst er verder op dat er veel kapot gaat bij het voercentrum. „De opraapwagens blijken niet geschikt voor de lange afstanden.”
De onvrede vertaalde zich in twee bijeenkomsten die eind december werden gehouden. „Die hebben we met vijf kritische deelnemers belegd. Bij de eerste bijeenkomst waren 23 van de 28 deelnemers aanwezig en bij de tweede ook de directie van het voercentrum. De communicatie is sindsdien wel verbeterd. Het punt is dat ze het concept graag willen uitrollen en het allemaal heel positief brengen. Ik ben niet anti, maar wil eventuele nieuwkomers graag waarschuwen voor de kosten.”


Directie wil te snel

„De directie wilde te snel. Ze hadden beter kunnen zorgen dat iedereen tevreden was, dan zou het concept zichzelf verkopen”, aldus een andere veehouder, die eveneens anoniem wenst te blijven. „Ik heb 150 koeien en geen vreemde arbeid”, geeft hij als reden voor zijn deelname. „Behalve de arbeidsbesparing garandeerde het voercentrum me een 10 procent hogere melkproductie. Verder hoefde ik geen investeringen te doen in machines en sleufsilo’s en kon ik toch gemengd voeren.” Omdat de kosten in zijn optiek echter veel te hoog zijn, stopt ook deze veehouder na dit seizoen met het voercentrum.
„De voorspelde vierduizend euro aan transportkosten, werden uiteindelijk zevenduizend. Verder blijkt het inkoopvoordeel van het voercentrum er bij grote partijen losse grondstoffen niet te zijn. Dat terwijl de extra kosten van het voercentrum naar ons als veehouder worden doorberekend.” De rantsoenefficiëntie op het bedrijf bedraagt 1,2 en de melkproductie 27 kilo melk per koe per dag. „De gehalten zijn gestegen, maar de productie is gelijk gebleven”, aldus de veehouder.


Natte kuil

„De kuil was met 31 procent droge stof veel te nat”, verklaart de veehouder de tegenvallende resultaten. „Veel kuil heeft lang op het veld gelegen of kon niet snel genoeg verwerkt worden in Leeuwarden. De directie had controlepunten moeten inbouwen. Als ze op dinsdag willen inkuilen, moeten ze op maandag langs de boeren om te overleggen. Het voercentrum stelde dat als het water uit de kuil zou lopen, ze de kuil niet zouden aannemen. Maar alles is toch ingekuild.”
Volgens de veehouder was de kuil vorig jaar beter, waardoor er minder bijproducten nodig waren. „Alles was overzichtelijk en ze hadden subsidie. Nu zijn de kuilen veel te hoog. Met een hoogte van 9,5 meter torenen ze ver boven de wanden van de sleufsilo’s uit. Dat heeft verliezen tot gevolg, waarbij de slechte kuil de vergister in gaat.” Volgens de veehouder heeft de directie te veel boeren verwelkomd. „Ze hadden bij zo’n 15 tot 18 deelnemers moeten stoppen”, stelt hij. „Een voercentrum kan wel succesvol zijn, maar dan moeten er 2.500 tot 3.000 koeien zich in de directe omgeving rond het voercentrum bevinden. Een klein boerenbestuur moet het voercentrum aansturen en de graskuil moet rechtstreeks met de opraapwagen naar het voercentrum kunnen. De tussenkomst van de vrachtwagens maakt het veel te duur.”

 

Dertig kilo is must

„De rantsoenefficiëntie op mijn bedrijf bedraagt 1,42. Vorig jaar was die hoger, maar toen was de kuil ook beter”, onderschrijft Jelmer Hoekstra uit Suawoude. Hij is een deelnemer van het eerste uur en onverdeeld enthousiast over het voercentrum. „De communicatie vanuit het voercentrum was inderdaad niet geweldig en ook wij schrokken eerst van de rekening. Je moet dan ook een paar maanden wachten voordat je resultaat hebt.” Hoekstra’s reden om zich aan te melden bij het voercentrum was dat zijn machines op waren. „Het voercentrum kwam met een kostenberekening waar ik mee uit de voeten kon. In het slechtste geval zou ik op nul uitkomen en daarom besloot ik mee te doen. Het eerste jaar kon ik me dan in ieder geval de investering besparen.”
„De kosten per kilo melk zijn hoog als je slecht melkt en laag als je veel liters uit een koe haalt”, stelt Hoekstra. Zijn koeien produceren gemiddeld 31 kilo melk per dag. „Een gemiddelde productie van boven de dertig kilo is een must om een goede voerefficiëntie te hebben en dus financieel uit te komen. Dat houdt in dat je je koeien op tijd moet insemineren, dat je zo weinig mogelijk echt oudmelkte koeien moet hebben en afscheid moet nemen van koeien die geld kosten. Dat kun je nu eenvoudig berekenen door de kilo’s melk x de melkprijs – de kilo’s voer x de voerprijs, inclusief krachtvoer.”

 

Sport

„Op nieuwmelkte koeien moet je niet bezuinigen. Een koe met 60 kilo melk vreet 25 kilo droge stof en realiseert een voerefficiëntie van boven de 2. Een koe met 25 kilo melk vreet 22 kilo droge stof en realiseert een voerefficiëntie van ongeveer 1”, redeneert Hoekstra. „Stel je hebt twee bedrijven (dit zijn bestaande deelnemers aan het voercentrum, red.) met beide 3.000 kilo melk per dag. De ene voert 1.800 kilo droge stof van het voercentrum en 400 kilo droge stof aan brok. De andere voert 2.750 kilo droge stof van het voercentrum en 250 kilo droge stof aan brok. Het ene bedrijf voert dus 800 kilo meer dan het andere. Dat maal 20 cent maakt dat de ene boer 160 euro per dag meer betaalt dan de andere. Op jaarbasis is dat bijna 60.000 euro. Voor het laatste bedrijf ligt hier een uitdaging.”

Hoekstra is met 300.000 kilo melk gegroeid naar een quotum van een miljoen kilo. „Ik doe het hoofdzakelijk alleen en zonder het voercentrum had dat nooit gekund. De kosten heb je zelf in de hand en dat is tevens ook de sport.” Een voordeel van het voercentrum noemt de veehouder nog de mogelijkheid om eenvoudig hoogwaardig voer te verstrekken. „Zelf bouw ik geen silo voor tarwegistconcentraat.” Hoekstra melkt met twee melkrobots en kan daarom niet alle brok vervangen door enkelvoudige producten. „Ik als robotboer ben tevreden en kom goed uit. Voor melkstalboeren is het perspectief nog groter.”

 

 

 

 

 

Roelevink
Sjoerd Roelevink uit Damwoude melkt automatisch. „In combinatie met het voercentrum kan ik veel melk per gewerkt staluur halen. De variabele kosten gaan wel enorm omhoog.”


Oud
Henk Oud



 

‘Verschillen tussen bedrijven nemen af’

Henk Oud was 25 jaar lang docent veehouderij op het PTC+ in Oenkerk en is sinds vorig jaar als ‘bovinoloog’ verbonden aan het voercentrum. Hij werkt samen met de nutritionist die het rantsoen samenstelt. Oud bezoekt de bedrijven en bekijkt er het vee om te zien of het rantsoen bijstelling behoeft. „Je ziet dat de spreiding tussen de deelnemende bedrijven kleiner wordt, het productieverschil neemt af”, stelt Oud. „De tweede helft van de zomer wilde het slecht melken. Bij de oudmelkte koeien komt de productie dan ook niet meer terug. De koeien moeten eerst een keer kalven en je ziet nu de productie her en der inderdaad ook weer toenemen.”

De gemiddelde productie op de voercentrumbedrijven ligt tegen de dertig liter per koe per dag. „Het TMR-rantsoen is behoorlijk melkdrijvend en zorgt voor een persistente productie. Op de MPR-uitslag heeft de groep koeien van 200 tot 305 dagen de hoogste BSK. Een oplopende BSK over de lactatie duidt op persistentie”, aldus de bovinoloog. „De koeien hebben aan het begin van de lactatie een minder hoge piekproductie.” Of de koeien inderdaad persistent produceren, hangt ook van het totale management af. „Hoe verder in de lactatie, hoe gevoeliger een koe voor productieverlies wordt. Bij een dip komen de liters dan niet zo gemakkelijk meer terug. Daar ligt voor ons een grote verantwoordelijkheid.”

Op de meeste bedrijven produceert geen enkele van de lactatiegroepen op de MPR-uitslag onder de twee kilo vet en eiwit per dag. Bovendien is het eiwitpercentage bij de groep tot 60 dagen in productie boven de 3,30 procent. „Dat houdt in dat de energievoorziening op orde is. Er zijn dan ook heel weinig gevallen van slepende melkziekte.”

„We adviseren maximaal vier kilo brok naast het TMR-rantsoen te verstrekken in de melkstal of via de krachtvoerautomaat. Robotboeren adviseren we maximaal zeven kilo brok te voeren.” Oud geeft aan dat de koeien gedurende de eerste zestig dagen van hun lactatie de kans moeten krijgen om te pieken, om de krachtvoergift vervolgens aan te passen aan de melkgift. Het conditieverloop op de bedrijven blijkt vlak. De koeien groeien ietsjes, maar dat is volgens Oud ook nodig als reserve voor de volgende lactatie. „Er zijn twee bedrijven bij met Fleckvieh-kruislingen. Wat opvalt is dat de productie daar ook op dertig liter ligt.” Het voercentrum heeft een aangepast rantsoen met meer zetmeel en minder eiwit voor veehouders die hun koeien weiden. „Als een boer in de zomer volledig wil weiden, kan dat ook. Vaak zie je dat het voercentrum het op regenachtige dagen dan drukker heeft.”

Reacties

Aantal: 0

Volgende editie:

26
mei.´12
Melkvee Magazine
nr. 5

Melkvee Magazine

is een uitgave van:

Agrio uitgeverij bv